Gloria

De "Gloria" van Poulenc werd geschreven in 1959 en ging in 1961 in première. Het stuk is geschreven voor koor, sopraansolo en orkest en bestaat uit 6 delen:

  1. Gloria in excelsis Deo
  2. Laudamus te
  3. Domine Deus
  4. Domine Fili unigenite
  5. Domine Deus, Agnus Dei
  6. Qui sedes ad dexteram Patris

De Gloria kenmerkt zich door de vrolijke muziek en duidelijke, op jazz lijkende ritmes. In het kleine half uur dat het stuk duurt wisselen de verschillende sferen en ritmes zich in snel tempo af.

Poulenc zelf zei over het stuk:

"Het laudamus te (het tweede deel) veroorzaakte een schandaal; en ik begreep niet waarom. Bij het componeren had ik gedacht aan de fresco's van Gozzoli waarin de engelen hun tong uitsteken. Ook dacht ik aan de serieuze Benedictijner monniken die ik een keer had zien voetballen."

Hieruit blijkt hoe Poulenc het dagelijks leven in zijn muziek wilde verbeelden. Het moest een mengeling zijn van spiritualiteit en lichtheid: belangrijke kenmerken uit zijn werk.

In het eerste deel zingt het koor in levendige syncopes boven de begeleiding uit. Het tweede deel begint met een korte instrumentale inleiding, vervolgens wisselen hoge en lage registers elkaar af in het koor. Dit maakt het deel voor de luisteraar vreemd en bijzonder. Het derde deel is in tegenstelling tot de twee eerdere delen rustig en beheerst. Hier opent de sopraansolo met hoog en daalt sterk af naar een laag register.

Het vierde deel krijgt weer het tempo uit het tweede deel très vite et joyeux. De klanken in de begeleiding doen weer denken aan het openingsdeel van het stuk. Het vijfde deel klinkt meer ernstig. Het heeft dan ook een langzaam tempo en in de begeleiding klinken meer donkere klanken voor de sopraansolo inzet. Ook hier weer begint zij met hoge noten waarna ze sterk de laagte ingaat en vervolgens weer verbazingwekkend stijgt. Dit komt goed overeen met de tekst: een vraag om vergiffenis. Het laatste deel begint met een a capella declamatie, dat beantwoord wordt door de begeleiding. De soliste komt terug en wordt begeleid met goed passende harmonieën. De soliste is ook degene die het serene einde van het stuk aankondigt.